Termen- en definitielijst
Hieronder vindt u een lijst van termen en definities die veel gebruikt worden in de agrarische sector.
A
- Aardappel
-
De aardappel (Solanum tuberosum) is een plant die ondergronds een energievoorraad in de vorm van zetmeel aanlegt. Het zetmeel wordt bewaard in de vorm van knollen, die eveneens aardappelen of aardappels worden genoemd. De knollen worden gevormd aan ondergrondse stengels, stolonen genoemd. In veel Europese en westerse landen is de aardappel een basisvoedingsmiddel. Net als rijst, pasta en brood is de aardappel een belangrijke bron van koolhydraten.
- Asparagaceae
-
De aspergefamilie (Asparagaceae) is een familie van eenzaadlobbige planten. De omschrijving van deze familie wil nogal eens wisselen.
- Asparagales
-
Asparagales is de botanische naam van een orde van eenzaadlobbige planten. Een orde onder deze naam werd niet erkend in het Cronquist systeem (1981), maar wel in het APG-systeem (1998) en het APG II-systeem (2003). Samen met de ordes Liliales en Poales vormen ze in de Europese flora de belangrijkste ordes van eenzaadlobbigen. Er zijn geen eenvoudig herkenbare eigenschappen. Bij de Asparagales komen parasiterende planten voor, bij de Liliales niet. De Nederlandse naam voor deze orde is Aspergeorde.
- Asparagus
-
Asparagus is de botanische naam van een geslacht van planten in de Aspergefamilie (Asparagaceae). Het geslacht telt tot een driehondertal soorten, alle uit de Oude Wereld. Veel soorten zijn in talloze landen in beide werelddelen geïntroduceerd in gematigde en tropische gebieden.
- Asperge
-
De asperge (Asparagus officinalis subsp. oficinalis) is een plant waarvan de jonge scheuten geteeld worden als groente. Er bestaan witte asperges en groene asperges. De eerste zijn onder de grond gegroeid en uit het licht gehouden, de tweede hebben wel de zon gezien. In noordwest-Europa zijn de witte asperges het meest gebruikelijk, in landen als Italië de groene asperges. Ook komt de asperge in het wild voor in duinstruweel en langs rivieren.
B
- Bedektzadigen
-
De bedektzadigen zijn de belangrijkste groep landplanten. Het is niet bekend hoeveel soorten bedektzadigen er zijn: de meest plausibele schattingen belopen tussen de 200.000 tot 450.000 soorten. Ze worden gekenmerkt door bloemen en doordat ze zich voortplanten door middel van zaden in vruchten.
E
- Eenzaadlobbigen
-
De eenzaadlobbigen, ook wel monocotylen genoemd, zijn een omvangrijke groep van planten. Zowel de Nederlandse en wetenschappelijke naam verwijzen naar het gegeven dat meer dan de helft van de leden één cotyl per zaad (lijkt te) hebben. Tot de eenzaadlobbigen behoren vele planten waarvan het zaad van groot economisch belang is, zoals granen, grassen, orchideeën, palmen et cetera.
- Embryophyta
-
Embryophyta is een botanische naam voor een groep planten, waarbij de individuele planten uitgroeien vanuit een embryo. Het gaat om de landplanten, dus ruwweg de mossen en de vaatplanten.
G
- Gerst
-
Gerst (Hordeum vulgare) is een graansoort. Ze stamt af van de wilde gerst (Hordeum spontaneum), die nog steeds in het Midden-Oosten voorkomt. Beide soorten zijn diploïd (2n = 14 chromosomen). Gerst behoort net als overige granen tarwe, haver, rogge, gierst en rijst tot de grassenfamilie.
- Granen
-
Graan is een verzamelnaam voor eenzaadlobbige cultuurgewassen die samen wereldwijd de belangrijkste voedingsbron voor de mens vormen.
H
- Het APG II-systeem
-
Het APG II-systeem is een recent systeem in de plantentaxonomie. Het is in 2003 gepubliceerd door de Angiosperm Phylogeny Group, als de opvolger van het APG-systeem uit 1998. Beide systemen beperken zich tot de bedektzadigen.
L
- Lamiiden
-
Lamiiden is de naam die in de 23e druk van de Heukels' Flora van Nederland gebruikt wordt voor een groep planten. Het is een vertaling van de naam "lamiids", de alternatieve benaming voor de "euasterids I" uit het APG II systeem (2003). De Lamiiden horen tot de Asteriden, en dus tot de 'nieuwe' tweezaadlobbigen.
N
- Nachtschadefamilie
-
De nachtschadefamilie (Solanaceae) is een familie van bedektzadige planten. De familie bevat veel giftige planten als de zwarte nachtschade, die deels als medicijn gebruikt worden, maar ook bekende nutsgewassen als de aardappel, de antroewa, de aubergine, de paprika en de tomaat. Andere bekende planten zijn de gewone tabaksplant en Petunia. Deze laatste wordt evenals Brugmansia vanwege de sierlijke bloemen gekweekt.
- Nieuwe Tweezaadlobbigen
-
De 23e druk van de Heukels gebruikt de naam Tweezaadlobbigen in een nieuwe betekenis, namelijk als vertaling van het Engelse "eudicots". Dit is potentieel verwarrend omdat "tweezaadlobbigen" vanouds anders gebruikt wordt:
P
- Plantae
-
De planten (Plantae) zijn een rijk in het domein der eukaryoten (Eukaryota). De wetenschappelijke discipline plantkunde houdt zich bezig met de studie van het plantenrijk. Met vegetatie, plantengroei of begroeiing worden alle planten die op een bepaalde plek groeien en zich van nature op een bepaalde wijze hebben gerangschikt bedoeld.
R
- Rogge
-
Rogge (Secale cereale) is een kruisbevruchtende graansoort. Het behoort net als de overige granen tot de grassenfamilie.
S
- Solanales
-
Solanales is een botanische naam, voor een orde van tweezaadlobbige planten: de naam is gevormd uit de familienaam Solanaceae. Een orde onder deze naam wordt de laatste decennia algemeen erkend door systemen voor plantentaxonomie.
T
- Tarwe
-
Tarwe (Triticum-species) is een van de voornaamste granen waar de mensheid zich mee voedt, naast rijst en maïs. Het staat met maïs op een gedeelde eerste plaats. In Nederland werd in 2005 116.000 ha wintertarwe en ruim 20.600 ha zomertarwe geteeld.
Z
- Zaadplanten
-
Zaadplanten zijn planten waarbij de seksuele voortplanting gebeurt via zaden. De zaadplanten kunnen behandeld worden in de rang van stam (phylum) of superstam, onder de naam Spermatophyta. Heukels' Flora van Nederland behandelt ze in de rang van klasse (classis), onder de naam Spermatopsida (de uitgang -ophyta wordt gebruikt voor stam; de uitgang -opsida wordt gebruikt voor klasse).
- Zetmeel
-
Zetmeel (Molecuulformule: (C6H10O5)n) is een verzamelnaam voor complexe polymeer van glucose, koolhydraten die in de natuur dienen als voedselreserve voor planten. De naam zetmeel komt voort uit het winningsproces van het zetmeel uit de plant. Na het verpulpen van de plantencellen met water komt het zetmeel vrij uit de cel en zet het zetmeel zich, bezinkt, als een wit poeder op de bodem van bereidingsvat, dit in tegenstelling tot meel dat droog gemalen wordt. In het Duits heet zetmeel Stärke. Deze naam slaat op een van oudste toepassingen van het zetmeel: het stijven, sterken van doek.

